Het effect van boeken gebruiken

Annie M. G. Schmidt (1974), een van de bekendste Nederlandse kinderboekenschrijvers, schreef: “Het kind dat opgroeit met Afke’s tiental, met Winnie de Poeh, met Anderson, zo’n kind krijgt een bepaald soort vitamines; het krijg een beschermende bijvoeding. Natuurlijk hebben ook deze boeken niet een directe, een onmiddellijk nawijsbare uitwerking. Maar de vitamines werken op lange termijn.” Het idee dat kinderboeken een pedagogische waarde kunnen hebben wordt al benut sinds het begin van de twintigste eeuw, met moralistische gedichtjes en verhaaltjes waarin kinderen wordt aangeleerd dat ondeugend gedrag bestraft wordt (Wilmink, 1976). Kinderboeken op een therapeutische manier inzetten is dus geen nieuw idee.

Hoe werkt dat dan?

Verschillende modellen pogen de relatie tussen het lezen van boeken en mentale gezondheid uit te leggen. Een eerste model is dat van cognitieve gedragstherapie (CGT). Kort gezegd speelt CGT in op de manier waarop men praat en denkt over zichzelf, de wereld en andere mensen (McNicol, 2018). Dit model zou bibliotherapie zien als een manier om negatieve gedragingen en gedachtes te corrigeren door alternatieve, betere opties te demonsteren. Boeken zouden dus manieren bieden om problemen het hoofd te bieden door stapsgewijs technieken en strategieën te demonstreren en door incorrecte aannames te verbeteren.

Een ander model wordt gekarakteriseerd door het ‘transportatie-effect’ (Green, 2008). Dit wil zeggen dat lezers als het ware getransporteerd worden in de wereld van het boek, waardoor ze betrokken raken bij de personages en het verhaal. Wanneer dit gebeurt, krijgt de lezer een kans om te experimenteren met in de schoenen van een ander te staan en om een andere rol aan te nemen. Ze leren een situatie te bekijken vanuit het perspectief van een ander. Het transportatie-effect is het grootst wanneer de lezer zich sterk kan identificeren met het personage (Green, 2006). Dit kan op basis van persoonlijke kenmerken zijn, zoals uiterlijk, interesses of cultuur, maar ook op basis van elementen in het verhaal.

 

Een derde model is het identificatie-catharsis-inzicht model (McNicol, 2018). Dit model gaat uit van drie fases in bibliotherapie. De eerste fase is identificatie: een empathische reactie op het personage of de situatie waarmee de lezer zichzelf identificeert. Het verhaal kan bijvoorbeeld een herinnering oproepen aan een vergelijkbare ervaring. De tweede fase is catharsis: de lezer uit gevoelens via het personage en raakt zo emotionele energie kwijt. Het lezen van een verhaal wekt dus emoties op en ondersteunt de verwerking hiervan. De derde en laatste fase is inzicht: wanneer de lezer zich bewust wordt van zijn/haar eigen reacties op het verhaal en zo leren om effectiever om te gaan met persoonlijke situaties. Door het verhaal begrijpt de lezer of luisteraar beter waarom ze bepaald gedrag vertonen en waarom ze bepaalde meningen hebben.

Wanneer zijn de lessen uit het boek dan overtuigend? 

Elke specifieke situatie kan zijn eigen criteria met zich meebrengen, maar er zijn ook enkele criteria die algemeen geldig zijn. Om maximale effecten te verkrijgen, moet een kind het boek namelijk wel wíllen lezen. Een aantal aspecten bepaalt het leesplezier, waarbij het allereerst belangrijk is dat een boek aansluit bij de interesses van het kind. Bij het uitzoeken van een boek is het dus allereerst belangrijk dat het kind geïnteresseerd is in het genre en thema, en dat het boek ook aansluit bij de leesvaardigheid van het kind. Een volgend belangrijk element is de identificeerbaarheid van de karakters en de overtuigingskracht van de lessen die het boek wil meegeven.

Identificeerbaarheid

Identificeerbaarheid van een boek is essentieel voor het leesplezier en de binding met een boek (Van der Poorten, 2017). Om herkenbaarheid te stimuleren worden verschillende technieken gebruikt. Eén daarvan is het ik-perspectief. Vertellen vanuit een ik-persoon maakt dat de lezer zich het beste kan inleven in het personage, omdat naast de gebeurtenissen ook gedachtes en opvattingen kunnen worden overgebracht (Ghesquière, 2009). Een andere term die wordt gebruikt is focalisatie: door wiens ogen wordt een situatie bekeken. Een derde techniek is om het verhaal goed te laten eindigen. Hierbij is het van belang dat het wel realistisch blijft, wat ook kan worden gewaarborgd met een open einde (Ghesquière, 2009). Als vierde is het belangrijk dat de personages redelijk genuanceerd zijn. Op die manier kan toch begrip worden opgebracht als een personage iets fout doet. Als laatste is taalgebruik van belang. Dit dient overeen te komen met de manier waarop de lezer zelf spreekt. Bij bijvoorbeeld meer gedateerde kinderboeken wordt veel taal gebruikt die kinderen nu niet meer gebruiken (denk aan woorden als “flex” of “gaaf”). In deze zelfde noot valt de algemene tijdsgeest van het verhaal. Waar kinderen in de jaren ’00 communiceerden via MSN en Hyves, hebben ze anno 2020 eigen smartphones en gaat de communicatie via Snapchat en TikTok. Ongetwijfeld zal dit over enkele jaren alweer veranderd zijn, dus is het van belang dat boeken ofwel tijdloos geschreven zijn, ofwel meegaan met de tijd en daarmee accepteren dat hun kwaliteit met de tijd omlaag gaat. Een laatste aspect is genderneutraliteit. Een boek dat heel duidelijk interessanter is voor jongens óf meisjes heeft een lagere identificeerbaarheid dan een boek dat voor beiden even interessant is.

 

Theorieën van gedragsverandering

Er zijn veel theorieën over hoe gedrag het beste ten goede veranderd kan worden en over de verschillende determinanten die van invloed kunnen zijn (Brug, van Assema & Lechner, 2017). De ene vorm van informatieoverdracht werkt beter dan de andere voor specifieke gedragingen. Denk bijvoorbeeld aan risico-informatie, wat inhoudt dat mensen worden verteld wat de mogelijke negatieve consequenties zijn van ongewenst gedrag. Een tweede vorm is het informeren over de positieve consequenties van gewenst gedrag. Dit werkt beter dan risico-informatie, omdat het mensen een duidelijker handvat biedt in de zoektocht naar wat ze wél moeten doen. Een derde vorm is het laten zien van de verandering van ongewenst naar gewenst gedrag. In behapbare stappen wordt weergegeven hoe deze overgang te realiseren is en wat voor lange én kortetermijnuitkomsten dit heeft. Deze manier werkt het beste, omdat beide eerder genoemde vormen hierin kunnen worden samengevoegd en het de lezer een makkelijk overneembare strategie biedt.

 

Naast de vorm van informatieoverdracht is ook de argumentatie een belangrijk aspect om de lezer te overtuigen van de noodzaak om het gedrag ten goede te veranderen (Brug, van Assema & Lechner, 2017). Enkele aspecten hiervan zijn dat de argumenten verrassend en nieuw zijn om interesse te wekken. Een tweede is dat het verhaal zelfobservatie en monitoring aanmoedigt. Als derde dient er rekening gehouden te worden met de vooraf bepaalde veronderstellingen van de lezer: foutieve veronderstellingen dienen te worden ontkend en kloppende veronderstellingen bekrachtigd. Als laatste is het belangrijk dat een verhaal zowel lange als kortetermijnuitkomsten biedt, zodat het nieuwe gewenste gedrag ook volgehouden kan worden.

Conclusie

Samenvattend is het inzetten van kinderboeken als therapeutisch, pedagogisch en moralistisch opvoedmiddel dus al een eeuwenoud idee, waarvan de werkzaamheid ook goed beargumenteerd kan worden. Bij het lezen van boeken leert een kind dat het niet alleen is, leert het zichzelf te verplaatsen in de rol van een ander, uit het zijn emoties via een karakter en krijgt het inzicht in zijn eigen gedrag. De conclusie is dan ook: ja, kinderboeken kunnen een effectieve rol spelen in de ondersteuning van ontwikkeling van de jonge lezer.

Concluderend dienen kinderboeken dus een herkenbaar en identificeerbaar hoofdpersoon te hebben, aan te sluiten bij karakteristieken van de lezer en een effectieve en overtuigende boodschap over te brengen. Identificeerbaarheid kan worden gewaarborgd door een ik-perspectief, focalisatie, een goed of open realistisch einde, genuanceerde karakters van de personages en aansluiting bij het taalgebruik en leefwereld van de lezer. Boeken die meer gericht zijn op jongens óf meisjes zijn minder breed identificeerbaar dan neutrale boeken. De boodschap die het boek probeert over te brengen dient daarnaast de verandering van ongewenst naar gewenst gedrag te illustreren en een overtuigende argumentatie te geven van waarom het gewenste gedrag beter is. Deze aspecten zijn dus de basisingrediënten voor een kinderboek dat een kind kan helpen in de ontwikkeling.

Bronnen

  • Schmidt, A. M. G. (1974). Voer voor kinderen. In K. Ottenhoff & F. Peeters (Red.) Over Jeugdliteratuur (1974) (pp. 9) Amsterdam, Nederland: Instituut voor Neederlandistiek.

  • Wilmink, W. (1976). Het kinderboek van elfenland tot echtscheiding. In Project jeugdliteratuur, aflevering 1.0.11. Tjeenk Willink / Noorduijn, Culemborg. Pp .2-8 DBNL

  • McNicol, S. (2018). Theories of bibliotherapy. In McNicol, S. & Brewster, L. (Eds.), Bibliotherapy (pp. 23-40). Facet. doi: 10.29085/9781783303434.002

  • Green, M. C. (2008). Research challenges in narrative persuasion. Information design journal, 16(1), 47-52

  • Green, M. C. (2006). Narratives and cancer communication. Journal of communication, 56, S163-83

  • Van der Poorten, M. (2017). Moderne meisjesliteratuur: Ideologie en identificatie.

  • Ghesquière, R. (2009). Jeugdliteratuur in perspectief. Leuven: Acco.

  • Brug, J., van Assema, P., Lechner, L. (2017). Gezondheidsvoorlichting en gedragsverandering: Een planmatige aanpak (9e druk). Assen: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcu