Angst overwinnen in kinderboeken

We kennen het allemaal: kinderen zijn bang voor het donker of voor een monster onder hun bed, maar ook voor zwemmen, of honden. Angsten kunnen sterk verschillen in hoe groot de invloed op het dagelijks leven soms kan zijn. Want ook een kind met zwemangst moet zijn diploma’s halen en op een punt in hun leven leren in hun eigen bed te slapen in plaats van bij zijn ouders in bed te kruipen. Het kan een uitdaging zijn om je kind aan te leren welke angsten gegrond zijn en welke niet, maar kinderboeken kunnen hier een grote rol in spelen. Waar sommige kinderboeken misschien angsten opwekken omdat ze te spannend zijn, zijn er ook kinderboeken die een kind kunnen aanleren hoe je om moet gaan met angsten.

Angsten en zorgen bij kinderen

Angsten en zorgen zijn veelvoorkomend bij kinderen. We onderscheiden angsten en zorgen van elkaar als volgt: angst is een reactie op een aanwezige dreiging, een soort alarm. Zorgen zijn meer gericht op de toekomst (Wicks-Nelson & Israel, 2015). Daarnaast laat angst drie types van reacties op de dreiging zien: gedragsreacties zoals wegrennen, cognitieve reacties zoals gedachtes over de oorzaak of mogelijk gevolgen, en fysieke reacties zoals een hogere hartslag of buikpijn. Zorgen worden ook wel gezien als een cognitieve component van angst (Wicks-Nelson & Israel, 2015). De basis van angsten en zorgen komt voort uit adaptieve menselijke functies: het zorgt ervoor dat je goed omgaat met dreiging. Jonge kinderen moeten nog leren om te gaan met deze functies, daarbij hoort ook dat ze soms banger zijn voor zaken die in werkelijkheid geen dreiging vormen of niet bang genoeg zijn in gevaarlijke situaties. Bij het opgroeien hoort dan ook dat angsten en zorgen veranderen: kleinere kinderen hebben vaker last van angst voor het donker, terwijl adolescenten vaker sociale angsten hebben. Met de leeftijd wordt ook het aantal en de intensiteit van angsten minder (Gullone, 2000).

Angsten en zorgen zijn dus normaal bij kinderen en ze hoeven niet altijd een probleem te vormen. De reden waarom sommige kinderen meer last hebben van angsten dan anderen, is nog niet duidelijk. In onderzoek wordt vaak gekeken naar drie mogelijke oorzaken van angsten en fobieën: directe klassieke conditionering (gebaseerd op een directe ervaring met de angststimulus), plaatsvervangende conditionering (gezien of gehoord hoe een andere persoon bang werd van een stimulus) en informatie/instructie (verhalen of informatie over het gevaar) (Rachman, 1977). Echter blijft er in veel onderzoek een percentage mensen over die hun angst aan geen van deze drie oorzaken toe kunnen schrijven (Ollendick, King & Muris, 2002). Factoren als erfelijkheid, temperament of andere factoren kunnen ook meespelen.

Verschillen in angsten

Om te beoordelen welke angsten nuttig zijn om te behandelen in kinderboeken, is het belangrijk om te weten welke angsten passen bij welke leeftijden. De jongste kinderen worden vaak bang van stimuli in de directe omgeving, zoals harde geluiden. Vanaf ongeveer één jaar oud worden ze ook bang voor vreemdelingen, onbekende objecten, hoogtes en krijgen ze verlatingsangst. Later komt hier ook angst om alleen te zijn bij en angst voor het donker of voor dieren. Angst voor het bovennatuurlijke (monsters, spoken, etc.), faalangst, angst voor kritiek en angst voor lichamelijke pijn komen voor bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Hoe ouder kinderen worden, hoe minder bang ze zijn voor dieren, het bovennatuurlijke en het donker en hoe meer voor lichamelijk letsel en fysiek gevaar (Gullone, 2000; Muris, Merckelbach, Gadet & Moulaert, 2000). Tussen 6 en 12 jaar is vooral sociale angst, angst voor lichamelijk letsel, ziekte en school belangrijk (Gullone, 2000). Een Nederlands onderzoek (Muris et al., 2000) wees uit dat kinderen tussen de 4 en 6 vaker bang waren voor onbestaande wezens; kinderen tussen de 7 en 9 jaar oud hadden het vaakst nachtmerries en de meeste angsten.

Angst overwinnen

Dat wil niet zeggen dat een kind geen baat kan hebben bij wat hulp bij het ontdekken hoe hij of zij met deze gevoelens om moet gaan. Er zijn verschillende technieken die worden gebruikt bij het voorkomen en behandelen van angststoornissen, die ook non-problematische angsten kunnen verhelpen (Wicks-Nelson & Israel, 2015). Een daarvan is blootstelling (exposure). Een tweede is ontspanningstraining, waarbij bewustzijn van de fysieke reacties op angst en het actief verminderen hiervan. Desensitisatie is een combinatie van deze twee technieken: de persoon wordt blootgesteld aan de angststimulus en gebruikt tegelijkertijd ontspanningstechnieken. Op deze manier gaat de persoon de angststimulus koppelen aan ontspanning en verminderen de angstreacties. Een derde techniek is contingency management: wat inhoudt dat op blootstelling positieve consequenties volgen, en op ontwijking negatieve consequenties. Een vierde techniek is cognitieve gedragstherapie, waarbij drie doelen worden gesteld: de tekenen van angstigheid op te merken, de cognitieve processen te identificeren en strategieën te gebruiken om hier de controle over terug te krijgen.

Angst overwinnen in kinderboeken

Bij het voorkomen en behandelen van angststoornissen worden de eerder genoemde vier technieken veel gebruikt. Als een rolmodel, zoals een karakter in een boek, deze technieken adaptief gebruikt kan de lezer dit gedrag ook aanleren en overnemen. Verschillende studies hebben laten zien dat angsten verminderd werden door bibliotherapie. Zo liet Trousdale (1989) zien dat kinderen meer aandacht gaven aan de oplossing van de enge situatie dan aan het spannende van het verhaal zelf. Een verhaal maakt het kind dus niet bang, maar biedt een mogelijkheid om de situatie vanaf een veilige plek te onderzoeken en te leren van de oplossing (Nicholson & Pearson, 2003). Een gerandomiseerd experiment naar de effectiviteit van bibliotherapie bij angstgerelateerde problematiek liet zien dat kinderen tussen de 6 en 12 jaar oud grotere en meer blijvende effecten ondervonden van bibliotherapie dan van traditionele cognitive gedragstherapie (Parslow, 2008). Er is een onderzoek gedaan naar angst voor het donker en voor alleen slapen bij jonge kinderen (tussen de 5 en 7) en naar de effecten van een kinderboek over een jongen die angsten voor het donker overwint door middel van blootstelling (Lewis et al., 2015). De data liet vermindering zien in ontwijkend gedrag, in angst en zorgen, en in verlatingsangst.

Enkele voorwaarden voor een kinderboek om effectief te zijn in het verminderen van angsten, zijn als volgt (Nicholson & Pearson, 2003): allereerst moet het verhaal en de karakters angsten laten zien waarmee de lezer zich kan identificeren. Ten tweede moeten de angsten succesvol worden opgelost. Als laatste is het belangrijk voor het identificeren dat het duidelijk is of het karakter gesloten en/of open verwerkingsmechanismen gebruikt, en of het karakter interne of externe resources tot zijn of haar beschikking heeft.

Conclusie

Angsten en zorgen kunnen het de opvoeding soms moeilijker maken, maar onderzoeken hebben laten zien dat kinderboeken een deel van deze last goed kunnen verlichten. Kinderboeken waarin een hoofdpersoon een oplossing vindt voor angsten waarmee de lezer zich kan identificeren, verschillende technieken gebruikt en zowel interne als externe resources heeft, kunnen een kind dus aanleren om ook op die manier met zijn eigen angsten om te gaan. Vier technieken die kunnen worden gebruikt zijn: blootstelling, ontspanning, contingency management en cognitieve gedragstechnieken. Deze kunnen zowel los worden ingezet als met elkaar worden gecombineerd. Kinderboeken kunnen dus echt een belangrijke rol spelen in het overwinnen van angsten.

Bronnen

  • Wicks-Nelson, R. & Israel, A. C. (2015). Abnormal child and adolescent psychology: DSM-5 Update. Albany, State University of New York – [Revised] eighth edition.

  • Gullone, E. (2000). The development of normal fear: A century of research. Clinial psychology review, 20(4), pp. 429-451.

  • Muris, P., Merckelbach, H., Gadet, B. & Moulaert, V. (2000). Fears, worries, and scary dreams in 4- to 12-year-old children: Their content, developmental pattern, and origins. Journal of clinical child psychology, 29(1), pp. 43-52

  • Trousdale, A. (1989). Who's afraid of the big, bad wolf? Children’s literature in education, 20(2), pp. 69-79

  • Nicholson, J. I. & Pearson, Q. M. (2003). Helping children cope with fears: Using children’s literature in classroom guidance. Professional School Counseling, 7(1), pp.15-19.

  • Lewis, K. M., Amatya, K., Coffman, M. F. & Ollendick, T. H. (2015). Treating nighttime fears in young children with bibliotherapy: Evaluating anxiety symptoms and monitoring behavior change. Journal of Anxiety Disorders, 30, pp. 103-112